De getijdenkapel bestaat uit drie rotsige eilanden in de Noordzee. Op deze van schelpen gemaakte betonrotsen zijn de verschillende ruimtes van de kapel gemetseld met slanke betonstenen. De eilanden zijn onderling met elkaar verbonden zodat de wandelaar toegang heeft tot de kapel, de kaarsenruimte, meditatieruimte en de ruimte waar hij een nacht kan doorbrengen. Samen met de gemetselde muren vormen deze ruimtes intieme patio’s. Bij vloed lopen deze voorruimtes steeds opnieuw vol met vers zeewater, terwijl bij eb de getijdenkapel omgeven wordt door kleine mosselpoelen. Door het wisselende tij is de kapel drie uur lang geheel omgeven door het zeewater.
De getijdenkapel breekt de krachtige golven van de zee af, maar het zeewater blijft bij vloed doordringen tot in en achter het gebouw. Hierdoor ontstaan verschillende waterluwten en poelen. In deze luwten vinden de mosselen geschikt habitat waar ze zichzelf hechten aan het harde, stenen substraat.
Iedere ruimte heeft een unieke atmosfeer waarbij de mosselen en de zee steeds op een andere manier ervaren kunnen worden. Wanneer de wandelaar de getijdenkapel betreedt, wordt het zicht op de weidse zee ontnomen en zijn blik gericht op het ‘achterland’ waar mosselen zich hebben gevestigd. In de meditatieruimte wordt het zicht op de zee verder ontnomen en wordt men omringd door een rustig kabbelende zee en zilte geur. Hier ligt de focus op de nabijheid van de zee, voorzichtig aangelicht door het mystieke daglicht dat hoog in de ruimte binnen valt. De nabijheid maakt in de kapel juist plaats voor een weids uitzicht. Hier wordt het zicht optimaal gekaderd op de horizon en de mosselen die zich vast hebben geklampt aan de palen die in de ruwe golven verdwijnen.